1. Koers

1.1 Oriëntatie: de leiding houdt zicht op de factoren die essentieel zijn voor het realiseren van de ambities van de organisatie

1.1.1 De organisatie voert een omgevingsanalyse uit en stelt daarbij de relevante interne en externe factoren vast.
1.1.2 De organisatie stelt vast welke belanghebbenden relevant zijn voor de organisatie, wat hun eisen en wensen zijn. 
1.1.3 De organisatie stelt vast welke diensten met welke opbrengsten verleend worden aan welke belanghebbenden, en hoe hierover wordt gecommuniceerd.
1.1.4 De organisatie stelt vast welke wet- en regelgeving relevant is voor de organisatie en hoe die bijgehouden en toegepast wordt in de organisatie.
1.1.5 De organisatie monitort en evalueert informatie over bovenstaande punten. 
1.1.6 Van de bovenstaande analyses stelt de organisatie vast welke kansen en risico’s hier uit voortkomen, vervolgens welke consequenties dit heeft voor de organisatie, haar ambities en haar diensten, en daarna welke acties gepland moeten worden om de kansen te benutten en risico’s af te dekken.

1.2 Leiderschap: de leiding demonstreert eigenaarschap van de organisatie en zet de koers uit

1.2.1 De leiding formuleert missie, visie en strategie, rekening houdend met belanghebbenden, maatschappelijke opdracht, waarden en cultuur van de organisatie, en draagt deze uit.
1.2.2 Zij doet dit ten minste op de gebieden van klanttevredenheid, onderwijskunde, professionalisering, veiligheid, schoolklimaat en voortdurende verbetering. 
1.2.3 De leiding werkt missie, visie en strategie uit in beleid, evalueerbare doelstellingen en zorgt voor concrete plannen van aanpak op de verschillende niveaus en onderdelen in de organisatie.
1.2.4 De leiding zorgt ervoor dat beleid en plannen consistent en relevant zijn, naar klanttevredenheid en verbetering streven en worden gebaseerd op de eerder genoemde (in 1.1.) analyses. 
1.2.5 De leiding zorgt er voor dat mensen beleid en plannen begrijpen, en maakt afspraken met hen over hun bijdrage aan de realisatie daarvan. 
1.2.6 De leiding zorgt er voor dat de competenties en middelen die nodig zijn voor de realisatie van beleid en plannen beschikbaar zijn.
1.2.7 De leiding zorgt er voor dat verwerving en besteding van middelen rechtmatig, doelmatig, transparant en integer verloopt en dat de continuïteit van de organisatie gewaarborgd is. 
1.2.8 De leiding monitort en ondersteunt de realisatie van beleid en plannen op basis van relevante gegevens en stuurt waar nodig bij.

1.3 Vernieuwing: de leiding zorgt voor beheerste ontwikkeling en invoering van nieuwe en bijgestelde diensten in lijn met de ambities van de organisatie.

1.3.1 De organisatie stelt een proces vast voor planvorming, ontwikkeling, toetsing, invoering en onderhoud van nieuwe dienstverlening.
1.3.2 Voor elke vernieuwing heeft de organisatie een plan van aanpak vastgelegd met daarin: de eisen waaraan de dienst of het product moet voldoen; benodigde infrastructuur, capaciteit en competenties; beoogde resultaten; te nemen stappen; te borgen risico’s; tussen- en eindevaluaties; toetsen en keuringen; gewenste interne en externe communicatie; toedeling van verantwoordelijkheden; en gedocumenteerde informatie.
1.3.3 De organisatie zorgt er voor dat het plan van aanpak wordt gevolgd, tussendoor wordt geëvalueerd en zo nodig op basis van de tussenevaluaties wordt bijgesteld. 
1.3.4 De organisatie wijst een verantwoordelijke aan die het resultaat van de vernieuwing of wijziging beoordeelt en goedkeurt voordat deze aan de klant wordt aangeboden of in gebruik wordt genomen.
1.3.5 De stappen in het proces, de eisen, de resultaten, de evaluaties en de bijstellingen worden vastgelegd.