2. Organisatie

2.1 Inrichting: de inrichting van de organisatie ondersteunt de koers

2.1.1 De inrichting van de organisatie is afgestemd op de resultaten van het onderdeel Koers. 
2.1.2 Voor elke rol en functie binnen het managementsysteem van de organisatie is vastgesteld wat taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn en welke competenties hiervoor nodig zijn.
2.1.3 Intern en extern overleg en communicatie vinden doelgericht plaats, waarbij is vastgesteld wie wanneer waarover hoe met wie communiceert.
2.1.4 Medezeggenschap van en intern toezicht door toezichthouders, medewerkers, ouders en leerlingen wordt uitgevoerd zoals afgesproken.
2.1.5 Organisatieveranderingen vinden beheerst plaats; de leiding bewaakt dat de prestaties voor klanten op kwaliteitsniveau blijven.

2.2 Managementsysteem - de leiding richt een effectief managementsysteem in dat in lijn ligt met de koers

2.2.1 Vanuit het onderdeel Oriëntatie volgen scope en processen van het managementsysteem (waaronder inputs/outputs, samenhang, volgorde, werking en reikwijdte).
2.2.2 Vanuit het onderdeel Oriëntatie volgt de wijze waarop de processen ingericht, geborgd, onderhouden en verbeterd worden.
2.2.3 De organisatie legt gedocumenteerde informatie vast voor zover dat nodig is voor het bereiken van effectieve resultaten en voor zover deze norm en toepasselijke wet- en regelgeving dat verplicht stellen. 
2.2.4 De leiding toont verantwoordelijkheid voor en betrokkenheid bij de opzet, inrichting, implementatie, verbetering en effectiviteit van het managementsysteem. 
2.2.5 De organisatie zorgt er voor dat elke medewerker toegang heeft tot die gedocumenteerde informatie die zij nodig hebben om hun werk goed uit te voeren.
2.2.6 De organisatie maakt passende afspraken voor het opstellen, goedkeuren, bijhouden, evalueren, beveiligen, distribueren, archiveren, wijzigen, verbeteren en vernietigen van gedocumenteerde informatie.

2.3 Infrastructuur - de organisatie zorgt voor de beschikbaarheid en inzet van de benodigde middelen voor het realiseren van de koers

2.3.1 De organisatie heeft de benodigde infrastructuur (zoals gebouwen, werkruimten en lokalen, vervoer, voorzieningen, informatiesystemen, medische en andere hulpmiddelen, leermiddelen, toets- en meetinstrumenten, e.a.) vastgesteld. 
2.3.2 De organisatie stelt vast welke (werk- en leer)omgeving, zowel maatschappelijk, (ortho)pedagogisch, (ortho)didactisch, psychologisch als fysiek, nodig is om haar processen uit te kunnen voeren. 
2.3.3 De organisatie stelt de benodigde infrastructuur en werkomgeving beschikbaar en zorgt voor inzet op de beoogde wijze.
2.3.4 De organisatie neemt passende maatregelen om de veiligheid, bedrijfszekerheid, juistheid, betrouwbaarheid, (toekomstige) en bruikbaarheid van de infrastructuur en werkomgeving te borgen.